Lenneke is gedragstrainer bij de reclassering. Met gedetineerde Toni is ze het traject van cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) gestart. Onderdeel van de training vormt het ABC-model. Essentie: wat gebeurt, gebeurt. Hoe je erop reageert, bepaalt hoe het afloopt, en daarmee je toekomst. Maar of dat bij Toni ook zo werkt?

Ik heb afgesproken met Toni om cognitievevaardigheidstraining in te halen die hij gemist heeft wegens ziekte. Op de vraag hoe het met hem gaat vertelt hij over de stress die hij heeft door familieomstandigheden. Een zus die terminaal is ligt in een ziekenhuis. In de laatste twee weken zijn er twee neven overleden. Hij heeft geen mogelijkheid naar huis te gaan. In de gevangenis heeft Toni geen contact met medegedetineerden of bewakers. Hij spreekt alleen met familie door de telefoon. Familie is alles, gaat voor alles. “Kon ik maar een uur bij ze zijn, kon ik ze maar even vasthouden”, zegt hij.

Als iemand aan zijn bord eten komt, gebeurt dat niet nog een keer
Op de afdeling laten ze hem met rust. Ze laten de tv op de zender staan die hij heeft opstaan, ook als hij even wegloopt. Wat zou er gebeuren als ze wel de zender op een ander net zetten, vraag ik hem? Dat gebeurt niet, meldt hij. “Ze weten dat. Ik ben een rare hoor. Ik kan hier met jou zitten praten, maar je een half uur later overhoop schieten.” Ik bedenk me dat hij nooit is opgepakt voor doodslag of poging tot. Zijn huidige detentie is op grond van het verstrekken van een wapen, dat hij altijd in huis had. Toni vult aan: “Het is geen dreigement hoor, zo moet je het niet opvatten.” Hij wil me duidelijk maken dat hij niets accepteert wat hem niet bevalt. Als iemand aan zijn bord eten komt dan gebeurt dat niet nog een keer. Of zoals degene die zijn naam heeft genoemd in het verhoor. Die krijgt dat nog wel te merken. Waarop ik denk dat hij een aframmeling bedoelt, een afstraffing.

Aanleiding, beoordeling, consequentie
Ik vraag hem of ik dit voorbeeld mag gebruiken om het ABC-model te herhalen. Ik schrijf: Aanleiding, Beoordeling, Consequentie en zeg: “Stel je hoort een vreemd geluid ’s nachts. Het geluid is de Aanleiding. De een denkt (beoordeelt): ‘Een inbreker!’, de ander ‘O, de kat’..: met als gevolg (Consequentie) dat de een met een honkbalknuppel de trap af loopt en de ander zich omdraait en verder slaapt. Je handelt op grond van jouw gedachten over iets, van jouw overtuiging. Vandaar dat ieder mens anders reageert op datgene wat gebeurt.”

Ik herinner hem aan het doel dat hij in het startgesprek noemde: leren nee zeggen. “Jij hebt van huis uit de overtuiging dat je anderen behulpzaam moet zijn. Terwijl je daarmee je gezin liet zitten. Als je bijvoorbeeld tijdens het eten gebeld werd om te helpen verhuizen (Aanleiding) liet je het bestek uit je handen vallen en ging je dat doen (Consequentie), je vrouw en kinderen achterlatend. Omdat jouw gedachte (Beoordeling) was: ‘ik moet helpen’.” Terwijl ik praat teken ik pijlen van A naar B naar C.

Toni beaamt dit, waarop ik vervolg: “Nu kun je zeggen dat de man die bij zijn verhoor jouw naam heeft genoemd als degene die hem een wapen heeft gegeven, de Aanleiding is. Jouw Beoordeling is dat je iemand niet verraadt, dus dat gaat hij weten (C).” Hij bevestigt: “Ja dat laten wij niet gebeuren.” Ik zeg dat hij en zijn familie wel één persoon lijken te zijn in plaats van meerdere. Ja, dat klopt. “De dag dat ik vrij kom gaan we er ook samen naar toe. In optocht. Ik zal er wel voor zorgen dat ik niet als betrokkene gezien kan worden, maar inderdaad, zo gaat dat gebeuren. De datum staat vast. Die man is daarom verhuisd, die weet dat ook.”

Begrijp ik nu goed wat hij bedoelt?
Mijn nekharen gaan overeind staan als ik besef dat hij niet een aframmeling bedoelt, maar moord. Ik check wat ik denk. Toni zegt dat dat klopt. Ik zeg hem te stoppen met praten. Dat hij mij dit niet moet vertellen, ondertussen mijn gedachten nagaand: heb ik dat eerder wel tegen hem gezegd, dat er grenzen zijn aan de vertrouwensband, dat er dingen zijn die ik moet melden etc. Ik zeg hem dat ik dit moet melden. Het lijkt niet bij hem door te dringen. Zijn plannen staan vast. En ik moet het gewoon voor me houden, vindt hij. Zijn belevingswereld met zijn familie en hun wetten en regels is duidelijk een andere dan die van mij. Ik vraag Toni of dit vaststaat, wijzend op de ABC: niet de Aanleiding bepaalt wat er gaat gebeuren, maar jouw Beoordeling, jouw overtuiging die tussen de A en de C zit, bepaalt de Consequentie.  

Zo kan het ook
Hij vertelt over zijn vader, die ooit anders besloot. Op een feest lang geleden is een van zijn broers doodgeschoten. Toni was daarbij. Hij en zijn andere broers vroegen hun vader de broer te wreken, een positief antwoord verwachtend. Maar zijn vader zei ‘Nee. Dat gaat niet gebeuren.’ Toni vertelt dat zijn vader later zelfs gesproken heeft met de vader van de dader. Ik zeg hoe groots ik die reactie van zijn vader vind. Hoe zijn vader in staat is geweest een voor hun voor de hand liggende reactie te stoppen en niet met wraak te reageren, door anders te denken. Toni blijkt het hiermee eens te zijn.

Wat Toni nu doet, bepaalt de toekomst
Ik verbind de aanleidingen die genoemd zijn aan de gevolgen. Welke gevolgen de beslissing van zijn vader heeft gehad, vooral op lange termijn, voor zoveel mensen. Voor Toni’s familie, voor de familie van de dader. Ik vraag Toni of dit ook zijn beeld over zijn vader heeft beïnvloed. Dat heeft het. “Zie je hoe groots dat is geweest? En jij bent nu in staat hetzelfde te doen, net zo groots te handelen als je vader. Want wat weet je over diegene die jouw naam noemde? Is hij getrouwd, heeft hij misschien ook kinderen, en ouders? Wat zijn de gevolgen van jouw beslissing, over tien, twintig jaar? Voor jou zelf, voor jouw kinderen?” Ik gebruik de C&V, consequenties en gevolgen van keuzes, op korte en lange termijn, een van de denkgereedschappen uit de CoVa. Terwijl ik praat leg ik links en rechts van het blad met het ABC model twee A4'tjes neer en trek een lijn van het ABC (‘dit is nu’) naar een punt rechts, de toekomst over 10, 20 jaar. “Hoe jouw kinderen over 20 jaar over jou denken, bepaal jij nu. Jouw beoordeling van wat er is gebeurd bepaalt wat je gaat doen. En wat jij nu doet, bepaalt de toekomst. Jij bepaalt de toekomst”.

Vervolgens trek ik een lijn naar een punt uiterst links: “En dat is het verleden. Daar is het moment dat jij de man een wapen gaf toen hij daar om vroeg (A)”. Ik zeg dat alles met elkaar verbonden is en wijs tussen toen en nu. “Daar is het moment dat hij jouw naam noemde?” Hij beaamt dat. “Dus dat moment werd voorafgegaan door het moment dat jij hem het wapen gaf, omdat je geen nee kon zeggen. Want jouw overtuiging was ‘Ik moet hem helpen’. Als jij toen in staat was geweest om nee te zeggen was de rest nooit gebeurd; hij had jouw naam niet genoemd, en jij had nu niet hier gezeten maar bij je familie. Misschien had hier dan iemand anders gezeten, maar niet jij.”

“Moet die man nu (ik wijs op het midden) gestraft worden omdat hij jouw naam toen noemde, (wijzend op halverwege links) of omdat jij toen (wijzend op uiterst links) geen nee kon zeggen? Alles hangt met elkaar samen.”

Toni vraagt me te stoppen. Hij zegt dat er iets wonderlijks gebeurd is. “In mijn hoofd, in mijn lijf, ik weet niet hoe en wat, maar je hebt me geraakt. Er is iets veranderd.” Hij heeft zijn gedachten veranderd. Het geeft hem kippenvel. Het geeft mij kippenvel. Ik zie dat hij het meent. Ik voel bijna dezelfde opwinding en ontroering die hij lijkt te hebben. Hij wil zijn vriendin gaan bellen, die hem vaak gevraagd heeft zijn plan niet uit te voeren maar die hem niet van gedachten kon veranderen. En zijn broers, om te vertellen dat het niet doorgaat. Hij ziet er opgelucht uit en de stress waar hij mee binnenkwam is verdwenen.

Bij de volgende sessie bedankt hij me. Ik krijg de groeten van zijn vriendin, en van zijn familie. Ze zijn allemaal opgelucht en blij. Ik bedank hem ook, voor het feit dat hij zich openstelde en vertrouwen had om te luisteren en zijn gedachten opnieuw te bekijken.